Zweethok


Terwijl ik de druppels in stroompjes over mijn borst omlaag zie gaan, denk ik aan de uitspraak die zo eens in de zoveel tijd bij ons thuis voorbij komt: “We kúnnen natuurlijk ook zelf een sauna nemen”.

Klinkt relaxed, toch? De ruimte is het probleem niet. Bij dit huis kwam een extra kamer op de begane grond, die ooit als garage bedacht was. “Oké, we stouwen er nu al onze zooi in, maar over drie maanden is-ie helemaal leeg”, zo sprak mijn vriend de legendarische woorden tijdens onze verhuizing ruim vijf jaar geleden. Inmiddels staat de ruimte voller dan ooit. Met lege dozen, wijn, een racefiets, skateboards, stepjes, kasten vol oude administratie, een oude DVD-kast die naar de kringloop moet, voedselvoorraden, oud papier en plastic voor recycling… Alles wat uit het zicht moet, gaat richting de ‘garagekamer’. Af en toe gaat er iets weg, maar vooralsnog komt er meer binnen dan eruit gaat, in onze room of shame

Met een beetje goede wil en een middagje opruimen zou er prima plaats zijn voor een leuk houten saunaatje. Dus wat houdt ons tegen? De stookkosten schijnen bij een goed geïsoleerde sauna best mee te vallen. Toch is er één belangrijk bezwaar voor de aanschaf van een bastu, zoals de Zweden het noemen. 

Het bijzondere van iets dat je zelf niet hebt. 

‘Even heerlijk ontspannen in een ongedwongen sfeer’ en ‘een zee van mogelijkheden ontdekken in je Adam- of Evakostuum’. Elke sauna heeft er zijn eigen mooie marketingteksten voor, maar kloppen doen ze wél. Naar de sauna is ’n dagje uit. Even niet worden gestoord door appjes – al glijdt je hand af en toe automatisch de zak van je badjas in, op zoek naar je mobiele telefoon die veilig opgeborgen in een kluisje ligt. 

Maar een saunabezoek is ook: naar andere blote mensen gluren, en bedenken dat je er toch nog behoorlijk fit uitziet. De lege sauna’s uitkiezen, zodat je ongegeneerd kan ouwehoeren over het drama dat hoofdluis heet. Of over die ene moeder-met-sterke-mening over de snacks tijdens de Avondvierdaagse (“Je kunt echt niet de ouders een stroopwafel geven, en de kinderen dan met een gezonde haverkoek afschepen”). Het loeihete opgiet-ritueel, met lekkere geurtjes en fijne muziek, waarbij je je al zwetend afvraagt waarom die oudere man op het bovenste bankje een Viking-muts (!) op heeft en een vrouw na afloop buiten bijna van haar stokje gaat. Of de man die in de zoutsteensauna door zijn vrouw met lichte gêne wakker wordt gepord, vergezeld van een luid fluisterend ‘Theo, je snurkt!’. 

De sauna. Altijd wel iets te beleven en zoveel méér dan een warm zweethok. 

Zoiets hou je juíst bijzonder doordat je er niet elke week van kunt genieten. Het bewijs is er. Sinds een maand staat er – met bloed, zweet en blaren – een ingegraven trampoline in onze achtertuin. Want als we ergens zijn waar een trampoline is, in een speeltuin of bij vriendjes thuis, dan móet daar door onze kinderen op gesprongen worden. En nu hebben ze er zelf één. Geweldig toch.

Hoe vaak er al op gesprongen is…?